dinsdag 2 juli 2013

6 juli 2013 - Amsterdam

A.s. zaterdag gaan we een dagje naar Amsterdam om het Rijksmuseum te bekijken. Om alvast in de stemming te komen verdiepte ik me in de geschiedenis van dit museum (met dank aan E.lsevier).

  
Dat wil ik jullie natuurlijk niet onthouden, dus bij deze:
 Een Louvre de la Hollande
Hoe Nederland aan zijn 'Rijks' kwam en het bijna weer verloor
  
  
Een volksfeest was de opening van het Rijksmuseum op 13 juli 1885 bepaald niet. Een verslaggever van het katholieke dagblad De Tijd constateerde dat, op een enkele Amsterdammer na, niemand een vlag had uitgehangen. En, erger, dat niemand er op straat over sprak. De meeste wisten volgens hem niet eens dat die dag hét nationaal museum, meteen ook het grootste gebouw van het land, zijn deuren zou openen.
Om vijf voor één klonk het Wilhelmus. Meteen erna hief een koor van 250 zangers, begeleid door meer dan 60 muzikanten, een speciaal voor de opening door Daniël de Lange gecomponeerde cantate aan. De tekst van dichter en predikant Jan Jacob Lodewijk ten Kate benadrukte dat er iets heel bijzonders stond te gebeuren.
  
 'Rijst nu, dankbre Jubeltonen! Groet dees blijde Julizon,
Die de keur van Hollandse zonen Heenvoert naar dit Pantheon!'
  
Nadat de laatste tonen waren weggestorven, nam de conservatieve minister van Binnenlandse Zaken, toen ook premier, Jan Heemskerk het woord om uitvoerig stil te staan bij de ontstaansgeschiedenis van deze 'tempel der schoone kunsten'. Na een al even uitvoerige uiteenzetting over de inrichting van het museum verklaarde Heemskerk het Rijksmuseum voor geopend.
'Mogen vele geslachten na ons in een gezegend, vrij en eendrachtig vaderland, zich in het gezicht dezer kunstschatten verheugen', zei de minister.
Architect Pierre Cuypers ontving uit handen van Heemskerk een hoge onderscheiding, de belangrijkste gasten tekenden een oorkonde. Vervolgens vertrok het gezelschap naar de Rembrandtzaal waar Johannes Bosboom, 'een der nestors' van de Nederlandse schilderschool, de gordijnen voor De Nachtwacht wegtrok en het topstuk onthulde.


 De bouwkosten waren vreselijk uit de hand gelopen. Uiteindelijk kostte het Rijksmuseum 2,8 miljoen gulden, drie keer zoveel als van tevoren gedacht.
Al met al was de opening een wel erg plechtige, gewichtige bedoening. Een journalist van het Algemeen Handelsblad vond het allemaal een beetje té. Hij vond de cantate 'een weinig lang', met zoals de rede van de minister. Maar het gewicht van de gebeurtenis was dan ook groot. Nederland had bijna honderd jaar moeten wachten op de komst van een fatsoenlijk tehuis voor zijn kunstschatten.

Oorlogsbuit
Al in 1798, het geboortejaar van de Bataafse Republiek, begon de allereerste minister (toen agent) van Financiën Isaac Gogel aan de oprichting van het nationale museum, toen nog Nationale Kunstgalerij geheten. Patriot Gogel was vurig voorstander van de eenheidsstaat en het stimuleren van wat we nu 'Nederlanderschap' zouden noemen. Hij was het ook die ervoor zorgde dat er zoiets als een nationale kunstcollectie kwam.
Nadat de Franse troepen in 1795 de patriotten in het zadel hadden geholpen door stadhouder Willem V naar Engeland te verjagen, werd een fors deel van de collectie van de Oranjes als oorlogsbuit naar Parijs afgevoerd. Daar werd het tentoongesteld in een voormalig paleis van koning Lodewijk XIV: het Louvre. Alleen wat de Fransen niet hadden meegenomen, werd door de Republiek geconfisqueerd en geveild. Maar toen Gogel minister van Financiën werd en het voormalig bezit van de Oranjes onder zijn beheer kreeg, bepaalde hij dat onmiddellijk moest worden gestopt met de uitverkoop van de kunstschatten. Bovendien gaf hij opdracht alle belangrijke voorwerpen uit de stadhouderlijke gebouwen bijeen te brengen in Den Haag.
Geïnspireerd door het Louvre liet Gogel de oostelijke vleugel van Huis ten Bosch inrichten als kunstgalerij. Aan de overgebleven stukken van de Oranjes voegde hij objecten uit overheidsgebouwen toe, zoals een portret van admiraal Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol. Daarnaast ontving hij stukken, zoals een portret van Piet Heyn, gegeven door de Raad der Amerikaanse Koloniën. Ook liet hij directeur Cornelis Sebille Roos werken kopen. Zo verwierf Roos het schilderij De bedreigde zwaan van de zeventiende-eeuwse meester Jan Asselijn. Hij betaalde er op een veiling 100 gulden voor.
  
  
Gogels galerij opende in 1800, maar echt nationaal wilde zijn museum niet worden. Anders dan het Louvre moest de galerij zich zelf bedruipen en dienden bezoekers een entreeprijs van elf stuivers te betalen, een vermogen in die tijd. Een erg lang leven was de galerij bovendien niet gegeven.
In Frankrijk kwam Napolen Bonaparte aan de macht en die stelde de patriot Rutger Jan Schimmelpenninck aan als een soort president van de Bataafse Republiek. Schimmelpenninck vond dat bij zo'n belangrijke functie een huis met allure hoorde en koos voor Huis ten Bosch. De galerij moest noodgedwongen vertrekken.
De verhuizing luidde een jarenlange dwaaltocht van de collectie in. Van Huis ten Bosch gingen de werken naar de sociëteit de Besognekamer aan het Buitenhof. Maar eer de collectie er goed en wel was uitgepakt, verving Napoleon Schimmelpennick door zijn eigen broer Lodewijk, de koning van Holland. En die verhuisde de collectie weer naar de nieuwe hoofdstad Amsterdam, meer precies naar zijn paleis, het huidige Paleis op de Dam.

Lodewijk had goede bedoelingen.  Hij liet zelfs een nieuw Koninklijk Museum ontwerpen, naar voorbeeld van het Louvre. Maar gebrek aan tijd – hij was maar vier jaar Koning – en gebrek aan geld voorkwamen de bouw ervan. Nederland moest geld opleveren in de ogen van Napoleon – geen geld kosten.
In plaats van een zegen voor de collectie in het Koninklijk Museum zou Lodewijk ondanks al zijn goede bedoelingen uiteindelijk een gevaar blijken. Zijn paleis was volkomen ongeschikt voor schilderijen. 's Winters was het er ijskoud. Bij regen lekten de ramen en droop het vocht van de schilderijen. In de zomer scheen de zon fel; in combinatie met de tocht krompen daardoor de schilderijen en barstte de verf. Soms sprong de verf zelfs van de doeken. Eigenlijk was het dan ook een gelukje dat Lodewijk in 1810 door zijn broer werd afgezet, Nederland werd ingelijfd bij het keizerrijk en in het paleis – nu residentie van de Franse gouverneur-generaal – geen plek meer was voor een museum. De dwaaltocht van de collectie eindigde in het Trippenhuis in Amsterdam.

  
Het einde van Napoleons keizerrijk en de terugkeer van Oranje als vorst en later Koning Willem I leek in 1813 goed nieuws voor het Koninklijk Museum. Toenmalig directeur Cornelis Apostool mocht met steun van de Engelse generaal Arthur Wellesley, de geroofde kunstwerken in Parijs ophalen. Dat gebeurde onder dreigementen van de directeur van het Louvre en een woedende menigte buiten. Apostool kreeg een militaire escorte mee en het bij de Fransen zo geliefde schilderij De stier van Paulus Potter moest met getrokken sabel het Louvre worden uitgedragen. Een Nederlandse kolonel werd door het publiek uitgemaakt voor dief.
Apostool wist tweederde van de geroofde schilderijen, 127 stuks, en tienduizend prenten terug te halen naar Nederland. Maar ongetwijfeld tot Apostools verrassing besloot Willem I niet met deze werken het Trippenhuis te versterken. In plaats daarvan liet hij de schilderijen onderbrengen in een Koninklijk Kabinet van Schilderijen in Den Haag (het Mauritshuis). Sterker, Willem I verzwakte het Koninklijk Museum door delen van de collectie bij nieuw opgerichte concurrenten onder te brengen.
Ook onder Willem II bleef het sappelen in het Trippenhuis. Willem II was een groot kunstliefhebber en verwoed verzamelaar van schilderijen. Maar hij verzamelde enkel voor zichzelf en liet een privémuseum inrichten. Hij schrok er zelfs niet voor terug om stukken uit musea voor zichzelf op te eisen.

Politie
Over belangstelling had het Trippenhuis niet te klagen. Er waren zelfs dagen dat Apostool de hulp van de politie in moest roepen om het toegestroomde publiek onder controle te houden.
De omstandigheden waren verre van ideaal. Het museum was eigenlijk te klein en het Trippenhuis moest ook nog eens worden gedeeld met het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, die de zaal met De Nachtwacht – toen al het belangrijkste stuk – gebruikte als vergaderzaal.
Daar kwam het brandgevaar bij door een naburige likeurstokerij. De Generale Brandmeester van de stad noemde het Trippenhuis in 1845 zelfs het meest brandgevaarlijke gebouw van de stad. En het werd er niet beter op toen in 1863 zes huizen verderop een petroleumzaak haar deuren opende.
De raad van bestuur van het museum probeerde vanaf het midden van de negentiende eeuw dan ook uit alle macht Amsterdam en de regering zover te krijgen een nieuw museum neer te zetten. Het bestuur wist zich daarbij gesteund door een groeiende groep prominente Nederlanders. Schrijver Everhardus Johannes Potgieter schreef in 1844 in tijdschrift De Gids bijvoorbeeld dat de overheden zich 'den gruwel' moesten schamen omdat ze 'de laatste glorie van onze gulden eeuw geene gelegenheid' gaf 'allen toe te stralen'. Ook het parlement toonde zich in 1862 voorstander van een nieuw gebouw. En, niet onbelangrijk, anders dan zijn vader en grootvader pleitte ook Willem III  achter de schermen voor nieuwbouw. 


Het stak de meesten vooral dat buurlanden met meer succes ijverden voor een nationaal museum. Zolang de liberaal Johan Rudolph Thorbecke de regering leidde, viel van de staat niets te verwachten. Volgens Thorbecke diende de overheid verre te blijven van cultuur.
Pas na Thorbeckes dood in 1872 leek er eindelijk schot in de zaak te komen. Het liberale Kamerlid Samuel van Houten – die van het Kinderwetje – stelde vast dat een nieuw museum ook een taak was voor het Rijk.
Daarna ging het snel. Amsterdam stelde grond en 100.000 gulden beschikbaar. Het Rijk zegde toe te betalen. En er kwam een prijsvraag onder architecten met drie eisen: veel bovenlicht, een budget van 800.000 gulden en een onderdoorrit naar nieuwe wijken achter het museum. Op 12 juli 1876 werd het ontwerp van Cuypers gekozen door een commissie en een college van rijksadviseurs.
Nog datzelfde jaar werd de eerste van achtduizend palen geslagen. Intussen zorgde De Stuers, hoofd van de afdeling Kusnten en Wetenschappen bij Binnenlandse Zaken, ervoor dat de collectie uit het Trippenhuis fors werd uitgebreid.
Na decennia schipperen was er dan toch een nationaal museum met een vooral Nederlandse collectie gekomen. Wat bezoekers betreft, voldeed het Rijksmuseum aan de verwachtingen. Er kwamen meer burgers kijken dan ooit tevoren. Maar daarbij bleef het succes ook. Op zowat al het andere hadden kunstenaars, recensenten en politici wat aan te merken.
Allereerst deugde het neogotische, middeleeuws en katholiek ogende gebouw niet. Een deel van de gezeten burgerij vond het zelfs een regelrechte schande dat kunst uit de glorietijd van het protestante Nederland in zo'n kathedraal werd getoond. Sommigen vermoedden zelfs een complot onder aanvoering van de aartsvaders van het museum: De Stuers en Cuypers, beiden Limburgse katholieken.
Ook de presentatie van de werken kreeg na verloop van tijd steeds meer kritiek. Cuypers' vele decoraties zouden de schilderijen beconcurreren om de aandacht. Pronkstuk De Nachtwacht werd bovendien slecht belicht. 'Het blinkt, schatert als een kermisstuk', schreef de bekendste schilder van toen, Jozef Israëls.


De wens van De Stuers om zoveel mogelijk te verzamelen en te exposeren, stuitte op onbegrip. Een Hamburgse museumdirecteur beoordeelde de presentatie als 'Ein furchtbarer Zustand von Durcheinander' – oftewel een rommeltje. 'Door de klooterigheid van nagenoeg alle betrokken personen, zitten wij nog steeds onder de tiranny van den ouden Cuypers en van De Stuers. Zoolang die kerels leven zal er in Nederland officieel niets goeds op museaal of monumenteel gebied gebeuren', schreef Adriaan Pit, directeur van het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst in 1904. Hij liet als eerste de muren van een zaal in het Rijks witten, omdat de wandversieringen hem stoorden.

Vrije tijd
In 1921 liet Frederik Schmidt Degener na zijn aantreden als directeur de wanden in neutrale kleuren verven, gooide de presentatie om en hing schilderijen verder van elkaar.
De reacties op het vernieuwde Rijks waren enthousiast: 'Zoo behoort een museum te zijn, een plaats van hoogere wijding', schreef criticus Just Havelaar in 1924 in dagblad Het Vaderland.
De door Schmidt Degener uitgezette lijn werd na de Tweede Wereldoorlog doorgetrokken. Terwijl het bezoek door gegroeide welvaart en meer vrije tijd toenam, werd de laatste herinnering aan Cuypers weggewerkt. Op de vloer kwam parket. En om het groeiend aantal objecten kwijt te kunnen werden de binnenplaatsen volgebouwd met dertig extra zalen.
Op 23 september 1999 nam de Tweede Kamer met algemene stemmen een motie aan waarin het kabinet werd gevraagd het museum voor te bereiden op het nieuwe millennium. De regering zegde een bedrag toe van 100 miljoen gulden.
Net als in de negentiende eeuw liepen de kosten van de restauratie op: van 272,5 miljoen euro in 2003 naar uiteindelijk 375 miljoen euro. Tien jaar lang werd er aan het museum gesleuteld.
Op 13 april 2013 opende het Rijksmuseum opnieuw zijn deuren. De verloren gewaande Cuypersdecoraties zijn goeddeels hersteld en de chronologische presentatie zorgt voor een symbiose tussen kunst en geschiedenis.
Tot zover de tekst uit E.lsevier.
Voor degenen die dit lezen: knap dat je je niet hebt laten afschrikken door zo'n lap tekst!
Verder zijn de voorbereidingen in volle gang: we kochten treinkaartjes, tickets voor het museum en de Canal Bus en boekten een restaurantje.

  
Hoe dit allemaal af gaat lopen lees je in een volgende blog!

maandag 29 april 2013

Landal Klein Ruwinkel, Scherpenzeel

Maandag 22 t/m 29 april 2013
Kees, Janny en Betty
  

Op maandag 22 april vertrokken we richting Scherpenzeel.
Onderweg aten we nog wat bij AC Meerkerk. Rond 14.00 uur waren we op het park. De huisjes waren nog niet allemaal beschikbaar, dus moesten we tot 14.45 uur op de sleutel wachten. We maakten alvast een wandelingetje over het park om te kijken waar ons huisje stond en zaten daarna nog heerlijk relaxed op een bankje in de zon.

Na het uitpakken hebben we boodschappen gedaan bij de Emté in Renswoude.
Pa had niet zoveel zin om te koken en daarom gingen we een pannenkoek eten bij Hans en Grietje op het park.



------

Dinsdag
Op advies van onze buurvrouw bezochten we de Orchideeënhoeve in Luttelgeest. Het was wel een behoorlijk eind rijden, maar zeker de moeite waard!

De Orchideeën Hoeve is een cocktail van genieten, tropische natuur en cultuur, flowershoppen en lekker eten en drinken in het serre-restaurant. Kinderen kunnen meedoen aan een spannende speurtocht en lekker ravotten in het Mangrovebos Speelparadijs; een waterrijke binnenspeelplaats met hagedissen en schildpadden.
Er zijn duizenden soorten wilde en zeldzame orchideeën, tropische vogels, kleurrijke Lori’s, reptielen en koikarpers op natuurlijke wijze samengebracht in de Maleisische, Orchideeën- en Lorituin.


De Maleisische tuin is de grootste tuin en dat zie je! De meest bijzondere planten, zoals de vanille orchidee en bananenbomen hebben in deze tuin de mogelijkheid om echt groot te worden. De paalwoningen doen je wanen in een Maleisisch vissersdopje. Naast de typische Maleisische  plantengroei, monden drie snelstromende beken uit in een kraakheldere vijver met koikarpers. Via een gammele touwbrug scheer je rakelings over het water.

De achttien meter lange hoofdbrug geeft een mooi overzicht over de tuin. De vele wildpaden en stap-stones in de beek zijn voor jong en oud een avontuur en geven de gelegenheid om de tuin van een andere kant te bekijken.





De tropische tuin is een jungletuin met duizenden natuursoorten orchideeën. Via een boomkronen pad, gevormd door grillige boomstammen, waant u zich door de jungle. In de gehele tuin vindt u vele orchideeën die zich met het bijzondere wortelgestel vast klemmen aan de boomstammen. De grote waterval mondt uit in een klein riviertje die als levensader voor vele koikarpers, schildpadden en waterplanten door de tuin stroomt. Met bruggetjes kunt u dit riviertje oversteken.





In de kwekerij liggen de wortels van de Orchideeën Hoeve. Verbaas u over de enorme diversiteit aan orchideeën die hier gekweekt worden. U kunt onder andere zien hoe onze medewerkers de planten verzorgen en de bloemen exportklaar maken. Stel gerust vragen over uw eigen plant. We delen graag onze passie en staan u met raad en daad te woord!




In de Vlinder Vallei, Europa’s grootste vlindertuin, vliegen meer dan tweeduizend vlinders.


De Vlinder Vallei is een echte jungle ervaring met wildpaden en woest stromende bergbeken. De planten zijn aangepast op de duizenden vlinders die rondvliegen in de tuin.  Door de speciale bergpaden kunt u ook naar de hooggelegen plekken in de Vallei waar de vlinders zich veelal bevinden. De liefelijkheid van vlinders geven u meteen bij binnenkomst een warm welkomstgevoel. De vlinders wapperen van plant naar plant voor nectar en fladderen vrolijk om u heen.

In de poppenkasten worden wekelijks honderden poppen opgehangen uit Costa Rica. Na het ontpoppen kan het avontuur als vlinder beginnen en start de cyclus opnieuw.
Vlinders, vrolijkheid en verbazing tegelijk!








In de Lorituin vliegen meer dan tachtig kleurrijke Lori’s van de Blauwe Bergen. Lori’s zijn actieve en nieuwsgierige papegaaitjes en ze trekken met hun capriolen en luidruchtige gedrag alle aandacht van de bezoeker. Naast imponeren willen ze eigenlijk nog maar één ding, namelijk gevoerd worden. Het is mogelijk om de papegaaitjes met een voederbakje nectar te voeren. Volgens de site zal 'de lori voorzichtig op uw arm landen en zich tegoed doen aan de heerlijke nectar. Voor alle leeftijden een unieke ervaring!' Toen wij er waren ging er een groep vrouwen naar binnen. Maar al snel was het een gegil, want die Lori's gingen boven op de hoofden van die dames zitten.

Wij hebben de vogelvrije route gevolgd...!


Op de terugweg stopten we in Lelystad. Op de markt werd een kermis opgebouwd en ineens waren we pa kwijt...

Er staat namelijk een standbeeld van Cornelis Lely op het plein en pa ging op zoek naar een bordje met info. De mensen van de kermis zochten gelijk actief mee. (Voordat jullie denken dat hij graag in de botsautootjes wilde...)

------

Woensdag 
Woensdag brachten we een bezoek aan Amersfoort en Bunschoten-Spakenburg.
Bij het VVV in Amersfoort kochten we een route voor een stadswandeling, zodat we geen bezienswaardigheden zouden missen! Volgens de Capitool Reisgidsen bezit Amersfoort een van de mooiste binnensteden van Nederland.



In de straat Muurhuizen deed Ma gelijk inspiratie op voor in haar eigen tuin!



De Onze Lieve Vrouwentoren (oftewel Lange Jan) ligt (of beter gezegd: staat) centraal in Nederland. Daarom werd de torenspits gekozen als oorsprong voor het Nederlands coördinatenstelsel, de zogenaamde Rijksdriehoekmeting. Dit kadastrale nulpunt is te zien in de vloer van de toren en dus ook op bovenstaande foto!
  

Nog steeds actief, deze bierbrouwerij.

De eerste keer dat Amersfoorts bier wordt genoemd is in 1323. Het brouwen was toen voornamelijk een huisnijverheid en gebonden aan vele regels. Zo was onder andere de hoeveelheid die men mocht brouwen nauwkeurig vastgelegd. Ondanks de beperkingen was er genoeg bier over voor de export naar o.a. Holland. Dit tot ergernis van de Amsterdamse brouwers. Maar doordat Amersfoort van oudsher goed water heeft, kwamen er steeds meer brouwerijen in Amersfoort. In 1528 besloot Karel V zelfs Amersfoort het voorrecht te verlenen dat 'binnen die twee mylen of daeromtrent in den Lande omme Amersfoort' niet gebrouwen mocht worden. Na 1800 verloor de bierexport gaandeweg haar betekenis. Veel brouwerijen sloten voorgoed de deuren door de opkomende concurrentie, de verbeterde waterkwaliteit en de smaakverandering bij de drinkers.

            

Koppelpoort
Deze gecombineerde land- en waterpoort over de Eem, die onderdeel uitmaakte van de tweede ommuring, werd rond 1400 gebouwd. Boven de waterpoort bevindt zich een mezekouw, een houten uitbouw van waaruit gloeiende pek naar beneden gegooid kon worden.
Met behulp van een dubbele tredmolen kon het balkenschot worden neergelaten ter afsluiting van de doorgang.





 De broeders van de Heilige Geest verzorgden in de middeleeuwen de zieken in de stad. Ook deelden ze geld en goederen uit aan de armen. In de volksmond werden de giften de poth genoemd. Al snel kregen de broeders de bijnaam Pothbroeders.

's Middags hebben we Bunschoten-Spakenburg bezocht.


De Oude Haven met zijn botterwerf, de historische vissersvloot (bruine vloot) in de Museumhaven en de visafslag vormt het hart van het vissersdorp Spakenburg.


Verder is het erg toeristisch.
Je kunt er goed op een terrasje zitten, maar meer is er ook niet te beleven.

Toen we terug waren op het park, besloten we nogmaals een pannenkoek te gaan eten bij
Hans en Grietje.


 ------
Donderdag
Vandaag stonden zowel Amerongen, Wijk bij Duurstede als Austerlitz op het programma.
 Amerongen ligt op de steile overgang tussen de Utrechtse Heuvelrug en de uiterwaarden van de Rijn. Het oude dorp heeft met zijn bochtige, hellende straatjes, dwarshuisboerderijen, zwartgeteerde tabaksschuren, monumentale kerk en kasteel zijn karakter als kasteeldorp behouden.
Het kasteel ligt als een vooruitgeschoven post in de uiterwaarden.


Het oorspronkelijke kasteel Amerongen werd in 1286 gesticht en in 1673 door de Fransen verwoest. Godard van Reede liet in 1673 het huidige huis bouwen op de oude fundamenten. In 1879 verwierf Godard van Aldenburg Bentinck het huis. Het interieur vormt een goede afspiegeling van het kasteelleven rond 1900. 
Het kasteel bood tijdelijk onderdak aan ex-keizer Wilhelm II van Duitsland. Na anderhalf jaar vertrok hij met zijn gezelschap naar Huis Doorn.


Het kasteelpark werd aan het einde van de 17e eeuw aangelegd en in de 19e eeuw aangepast.


Zicht op Amerongen met de Andrieskerk.



Daarna reden we door naar Wijk bij Duurstede.
Wijk bij Duurstede kent een lange geschiedenis: van Dorestad tot Wijk (bij Duurstede), van bloeiende handelsstad tot bisschopsstad en van kleine provinciestad tot forensenstad.
Wijk heeft nog steeds het karakter van een vestingstadje met een kasteel, grachten, smalle straatjes, een Grote Kerk en historische panden.


Een naamloze poort in de Peperstraat leidt naar de Mazijk, een verstild stukje Wijk. De Mazijk is een lange, rechte monumentale lindelaan met achter de muren moestuinen, fruitbomen en speelweides. Het straatje was oorspronkelijk een deel van de eerste stadsgracht van Wijk. Bij de stadsuitbreiding tussen 1440 en 1450 kwam de gracht binnen de stad te liggen. Bisschop David van Bourgondië liet zich graag per boot van zijn kasteel naar zijn kerk over het grachtje vervoeren. Nadat de gracht werd gedempt, bleef de Mazijk onbebouwd.


 


Zweder van Abcoude, een leenman van de graaf van Gelre, liet rond 1270 een woontoren bouwen. Na 1459 versterkte de bisschop David van Bourgondië, die zich om veiligheidsredenen had teruggetrokken in Wijk, het kasteel met een poortgebouw en vier hoektorens. De nu nog bestaande Bourgondische toren was de belangrijkste. Ook zijn opvolger (en halfbroer) Philips van Bourgondië versterkte het kasteel. In de 17e eeuw raakte het kasteel in verval.


En op dit moment wordt het dus grondig gerestaureerd.



Verscholen in de bossen van de Utrechtse Heuvelrug, staat een merkwaardige heuvel met obelisk. De heuvel had oorspronkelijk de vorm van een Egyptische piramide en werd in 1804 opgeworpen door Franse en Bataafse soldaten. Het idee kwam van de Franse opperbevelhebber Marmont. Hij wilde met deze piramide de herinnering aan het verblijf van het Franse leger in Kamp Zeist levend houden.
Na 27 dagen was het werk voltooid.
  

Pas in 1806, toen Marmont met zijn leger alweer was vertrokken, kreeg het bouwwerk de naam Pyramide van Austerlitz.
Dit ter ere van de overwinning van keizer Napoleon op de Oostenrijkse en Russische legers bij de Slag bij Austerlitz (tegenwoordig Slavkov u Brna in Tsjechië) op 2 december 1805. In de loop der tijd werd de piramide verschillende malen gerestaureerd, voor het laatst in 2003. Helaas zonder duurzaam resultaat: de piramide is op enkele plaatsen verzakt.


------ 

Vrijdag
Anne Laura kwam vandaag langs. Om 13.41 uur hebben we haar opgehaald van station Veenendaal-De Klomp. Omdat het slecht weer was hebben we gewinkeld in Veenendaal.
Natuurlijk heb ik nog iets gekocht, namelijk dit en dit en dit!
(De echte nieuwsgierigen klikken natuurlijk op de link....)
's Avonds hebben we een patatje gehaald bij de snackbar op het park.


------  

Zaterdag 
Zaterdags was de rest van de familie ook van de partij.
We hebben opnieuw pannenkoeken gegeten in het restaurant op het park.




's Middags hebben we een wandeling gemaakt in Renswoude, rond het gelijknamige kasteel.


Het kasteeldorp Renswoude, het 'Rhenense Woud', is de kleinste gemeente van Utrecht. Al in 1849 werd door de gouverneur van de provincie Utrecht voorgesteld om Renswoude samen te voegen met Woudenberg. Tot op heden is het nog steeds een zelfstandige gemeente. Het huidige dorp ontstond rond het gelijknamige kasteel. In 1654 liet Johan van Reede, domdeken van Utrecht, op de fundamenten van de vervallen ridderhofstad Borchwal een nieuw kasteel bouwen.


Het park rond het kasteel werd aangelegd in Franse stijl met rechte lanen, vierkante vijvers en het
700 m lange Grand Canal (zichtkanaal) aan de overkant van de weg. Het kanaal werd naar voorbeeld van het Grand Canal in Versailles in 1789 gegraven door werkloze dorpelingen in opdracht van Maria Duyst van Voorhout als cadeautje voor haar man Frederik van Reede.


 





In het begin van de 19e eeuw werd het park gemoderniseerd in landschapsstijl. Na de brand in 1985, waarbij het kasteel grotendeels werd verwoest, volgde een restauratie.


Wanneer de zomerzonne daalt,
Geen streek in 't gansche Sticht, die haalt,
Bij 't liefelijk Renswoude!

E.J. Potgieter (1808-1875)


De compacte toren van de Hervormde Koepelkerk steekt boven het groen uit. Kasteelheer Johan van Reede gaf al in 1639 opdracht voor de bouw van een slotkapel die werd ontworpen door Jacob van Campen in de vorm van een Grieks kruis.
Onder de kerk bevindt zicht het Familiegraf van den Huize Renswoude.



(J)An(nie) enzovoort...

We maakten een stop bij Dicky's Theeschenkerij.
  








  
Het feodale karakter van het dorp wordt nog eens benadrukt door de Nieuwe Buurt, een serie cottage-achtige kasteelwoningen met roodwitte luiken die tussen 1773 en 1780 als dienstwoningen van het kasteel werden gebouwd.






 Na een broodmaaltijd vertrok de visite weer...


  

------
Zondag
Op zondag zijn we 's ochtends in Scherpenzeel naar de kerk geweest.



------
Maandag
Vandaag gingen we weer naar huis!